Handelingen 17:16-34 (1), 'Het aanknopingspunt'

Preek, dr. W. Dekker

Het aanknopingspunt

In bijna alle kerken nemen de laatste jaren de inkomsten voor de zending af. En wanneer er voor de zending nog goed gegeven wordt, dan is dat meestal voor projecten die te maken hebben met gezondheidszorg, honger en armoede. Wanneer gezegd wordt: zoveel mensen lijden honger, sterven door gebrek aan medische voorzieningen, terwijl er deerniswekkende foto's bij getoond worden, dan brengen acties nog behoorlijk veel geld op. Maar wanneer gezegd wordt: er moet geld komen voor een predikantenopleiding in Malawi of christelijk onderwijs in Indonesië, dan levert dat veel minder op.
Hoe zou dat komen? Komt dat omdat in het eerste geval met aansprekende foto's en TV-beelden op ons gemoed gewerkt wordt, terwijl dat in het tweede geval veel minder kan? Je kunt nu eenmaal van een opleiding tot predikant niet zulke aangrijpende foto's maken?! Of zit er nog iets anders achter? Vinden wij het nog wel echt erg, dat zoveel mensen Jezus Christus niet kennen? Vinden wij het nog wel echt erg, dat zoveel mensen de God van de Bijbel niet kennen? Of hebben we ons daar maar min of meer bij neergelegd? Een moslim, een hindoe, een boeddhist, moet ieder maar op zijn eigen manier zalig worden... En al die Nederlanders, die geen christen meer zijn, ongeveer de helft van de bevolking, die moeten het ook maar zien...dat kunnen wìj ook niet helpen... De IZB, die zending in Nederland bedrijft, vraagt iedereen van ons lid te worden en zo dit zendingswerk te steunen, maar lang niet iedereen wordt lid.
Hebben we ons dan niet min of meer rustig neergelegd bij het nieuwe heidendom? Wanneer òns nu ook maar òns geloof gegund wordt, dan is het verder wel goed?! Dan zat Paulus toch wel heel anders in elkaar.
Paulus is op zijn tweede zendingsreis in Athene aangekomen, de hoofdstad van Griekenland en culturele hoofdstad van de wereld van die tijd. Rome was de politieke, economische en militaire hoofdstad van het rijk, zou je kunnen zeggen, en Athene de culturele hoofdstad. De grootste bloeitijd was voorbij, maar het was toch nog steeds de stad, waar alle nieuwe stromingen in godsdienst en cultuur besproken werden. Wat Nederland betreft, geldt: je kunt het zo vreemd niet bedenken of het is wel in Amsterdam te vinden. Wat het Romeinse rijk betreft, je kunt het zo vreemd niet bedenken of het is wel in Athene te vinden. Vandaag zijn er alleen nog maar de ruïnes van dit oude Athene. Maar de toerist proeft zelfs zo nog de bekoring van dit grootse verleden. Wat een kunst, wat een cultuur, wat een rijke religieuze traditie.

Paulus loopt er echter niet rond als een toerist, die geniet van de rijke religieuze traditie. Integendeel, van hem lezen we, dat zijn geest in hem ontstoken werd, toen hij zag dat de stad zozeer afgodisch was. Dat betekent, dat hij zich heel erg opwond over al die godsdienst, die aan de ware God voorbij ging. Waarom, Paulus? Laat die mensen toch...Als ze daar nu gelukkig in zijn...Nee, Paulus is de profeet, de psalmist van het Oude Testament met wie we zingen (Ps. 96) : Al de afgoden zijn slechts ijdelheden. Maar God, Die van òns wordt beleden, is het die de hemelen heeft gesticht... Er zijn niet vele goden en vervolgens mag elk volk dan zelf weten welke god het dient. Er is maar één God. Dat is de God, die Israël heeft leren kennen als de Schepper van hemel en aarde. En omdat Hij de God is van alle mensen, daarom moet Hij ook door alle mensen aanbeden worden: Ere wie ere toekomt! De verkeerden krijgen de eer en daar wint Paulus zich over op.

Laat ik een voorbeeld noemen, waardoor we misschien enigszins kunnen aanvoelen om welke boosheid het hier gaat bij Paulus. Rond Koninginnedag krijgen elk jaar veel mensen een lintje. Nu krijgt iemand een lintje, omdat hij volgens velen heel veel gepresteerd heeft en u leest al die mooie verhalen in de krant, maar intussen weet u wel beter. U zegt: die man heeft niets anders gedaan dan veertig jaar op dezelfde stoel zitten, terwijl u iemand anders kent, die het eigenlijke werk heeft gedaan, maar die was zo bescheiden en die krijgt dus niks. Over zoiets kun je je heel erg opwinden. Wie de eer verdient, krijgt die niet en wie de eer niet toekomt, die krijgt hem wel. Dat is onrecht. Welnu, zo windt Paulus zich op over onrecht, dat Gòd wordt aangedaan.

Ik vind dat wel een spiegel voor ons. We winden ons soms over de kleinste dingen op, wanneer het onrecht betreft, dat òns wordt aangedaan. We winden ons over grotere dingen op, wanneer het onrecht betreft, dat andere mensen wordt aangedaan. Maar dat God, de Schepper en Onderhouder van alle mensen, het grootste onrecht wordt aangedaan, doordat Hij niet de erkenning krijgt die Hem toekomt, daar winden we ons helemaal niet over op. Dan zeggen we: ieder moet zelf maar weten wat hij gelooft. Daaruit blijkt, dat wij bewust of onbewust vaak de universele pretentie van het christelijk geloof hebben opgegeven. En die universele pretentie van het christelijk geloof is nu juist de sleutel om Paulus' optreden in Athene te kunnen begrijpen. De universele pretentie, dat wil zeggen: God is niet alleen mijn God, heeft niet alleen recht op mijn verering, is niet alleen de God van de Veluwe en nog een paar christelijke gebieden in de wereld, maar is de God van de ganse aarde, is de God van alle mensen. Alle mensen zijn door hem geschapen, ook moslims, hindoes, moderne heidenen en aanbidders van idolen uit de popcultuur. Alle mensen leven door de adem, die Hij hen in de neusgaten blies. Alle mensen bewegen zich, dansen en springen dankzij Zijn energie, die Hij in hen gelegd heeft. Alle mensen. Dus heeft Hij ook recht op de toewijding van alle mensen. Dus is het dienen van andere goden en machten onrecht, onkunde, misschien ook schuld, maar in ieder geval onkunde en onrecht.

Nu windt Paulus zich daarover op. Maar dat niet alleen. Hij probeert ook juist van hieruit een brug te bouwen. Hij probeert dichtbij deze Atheners te komen en hen duidelijk te maken, dat ze ook de God van Israël en de Vader van Jezus Christus moeten gaan dienen. Het is heel boeiend om te zien hoe hij dat doet. Boeiend, wanneer ook wij ons vandaag afvragen hoe wij al die anders gelovigen en niet gelovigen, ook in eigen land, kunnen bereiken.
We begonnen met te zeggen, dat Paulus zich vreselijk opwond, toen hij al die afgoderij zag. Maar zodra hij het woord tot hen richt, is van die opwinding niet veel meer te merken. Het zou natuurlijk ook niet werken, wanneer hij ogenblikkelijk begonnen was te zeggen: ik wind me nu al vele dagen op over jullie. Het is verschrikkelijk wat jullie hier allemaal doen. Dat werkt natuurlijk niet. En zo hoeft het ook niet. Want precies vanwege de zaak waarover hij zich zo opwond - God is de Schepper van alle mensen, ook van deze mensen; ze horen Hem dus ook te vereren - precies vanwege deze zaak kan hij nu ook heel ontspannen zijn toespraak beginnen en trachten een brug te bouwen. Hij probeert duidelijk te maken, dat de God die hij hen komt verkondigen, niet een heel vreemde, verre figuur is: import uit het land Israël, doch aan de Grieken vreemd... Nee, ieder mens komt uit de hand van deze God vandaan, ook de Griek. En het dienen van goden moet dus verklaard worden uit de zoektocht van de mens naar die God, uit Wiens hand hij voortkomt.

Ik zag temidden van alle altaren, zegt Paulus, ook een altaar voor een onbekende god. Dat altaar hadden de Atheners er neer gezet, omdat ze zó godsdienstig waren, dat ze het heel erg zouden vinden, wanneer ze per ongeluk een of andere god zouden overslaan. Welnu, zegt Paulus: die onbekende God kom ik jullie verkondigen. Jullie kennen Hem niet en toch proberen jullie op jullie manier Hem te dienen. Dat duidt erop, dat jullie van die God niet los zijn. En dat kan ook niet, want Hij heeft jullie geschapen. Er zijn allerlei draadjes, die jullie als schepselen met Hem verbinden. Paulus gaat nog verder. Hij zegt zelfs: 'In Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij'. (vs. 28). Dan haalt hij ook een van de heidense, Griekse schrijvers aan, die sprak: 'Wij zijn ook zijn geslacht'. Die heidense Griekse schrijver, Aratus, was een soort pantheïst, dat wil zeggen: iemand die geloofde, dat God of het goddelijke overal in aanwezig is, in ieder geval in elk mens. Wij zouden vandaag misschien zeggen: een soort 'New Age' figuur. In de New Age beweging vind je dat immers ook steeds weer terug: God en mens zijn met elkaar verwant; wanneer we de diepste laag van ons bestaan vinden, die vaak helemaal is ondergesneeuwd, dan vinden we het goddelijke of God. Dat is eigenlijk geen bijbelse gedachte. Die Griekse dichter Aratus was geen bijbels denkende gelovige. Maar Paulus kent hem wel en weet hem zo te gebruiken, dat hij probeert een brug te leggen naar de Atheners. Is dat niet gevaarlijk? Moet je het niet puur en alleen over de Bijbel hebben met ongelovigen of anders gelovigen? Nee, dat hoeft helemaal niet. Juist als je ervan uit gaat, dat er allerlei verborgen draadjes lopen tussen mensen en God, omdat ieder mens een product van God is, kun je vrijelijk proberen zoveel mogelijk van die draadjes te ontdekken en aan te wijzen. Dan wil ik zomaar eens een paar voorbeelden van bruggenbouw vandaag noemen. Ik leid een begrafenis van iemand, die zelf wel geloofde, maar de kinderen geloven naar eigen zeggen 'niets'. Maar wat is 'niets'? Op de kist ligt een groot bloemstuk met daaraan een lint en op dat lint staat: 'Rust zacht'. Later ben ik nog een keer bij hen en zeg: ik dacht dat jullie niet gelovig waren. Ja, dat is ook zo, zeggen ze. Waarom stond er dan op dat lint: 'Rust zacht'? Nou, dat is toch een laatste wens?Dat is toch het laatste goede, dat je je overleden moeder nog toe kunt wensen? Ja, maar wat houdt dat dan in, wanneer je niets gelooft... met alle respect, maar u bedoelt toch niet, dat ze zacht mag rusten in de kist in de koude grond? U hebt dan toch in uw gedachten iets van een ander leven? Ja, nou, eerlijk gezegd nog nooit zo over nagedacht. Ik antwoord: ja, dat zou kunnen, maar zou het dan ook kunnen zijn, dat we in onze taal, in onze uitdrukkingen, méér geloof verraden dan we onszelf bewust zijn? We zeggen wel: dood is dood, maar menen we het ook echt? U zegt: rust zacht. Een gelovige zegt: veilig in Jezus' armen, veilig aan Jezus' hart. Zou daartussen toch een verband kunnen zijn? Zou de gelovige daar datgene mee uitspreken waar u ook ten diepste naar op zoek bent?

Het gesprek eindigt met: ik weet het niet...nooit zo over nagedacht, maar dat zal ik dan toch nog eens doen...
Dit voorbeeld maakt duidelijk, dat we een heel zinnig gesprek kunnen hebben, juist vanuit het gemeenschappelijke wat ons als mensen bezighoudt. Tussen de christen en de niet-christen zijn niet alleen maar verschillen. We hebben ook heel veel gemeen. En dat komt, omdat we allemaal van Gods geslacht zijn, dat wil zeggen: allemaal uit Gods hand komen, allemaal ergens op zoek naar onze Vader, ook dan wanneer we ons dat niet bewust zijn of dat zelfs ontkennen. Aanknopen bij wat mensen zelf zeggen, hen laten zien hoe dicht ze eigenlijk bij God staan, het kan zo verrassend werken.
Laatst vertelde iemand mij van een gesprek, dat hij gevoerd had met een ongelovige, waarbij hij al luisterende erg onder de indruk gekomen was van de menslievendheid van die persoon. Dat heb je soms toch, dat iemand die niet gelooft wel zeer goed is voor medemensen in nood, soms nog veel meer dan een orthodoxe kerkganger. Na alles aangehoord te hebben over wat de man allemaal aan goeds voor medemensen deed, zei de bezoeker: weet je waar ik nu de hele tijd aan zat te denken? Jij lijkt in de verte op God... Ik, op God? Hoe kom je daar nu bij? Ik weet niet eens of God wel bestaat.
Nou, volgens de Bijbel is God in ieder geval Iemand, Die ontzettend veel van mensen houdt en dat doet u ook op uw manier. U staat veel dichter bij God dan u zelf denkt of weet.

Je hoeft niet altijd meteen te beginnen over zonde en genade. Daar wil je wel een keer uitkomen. Maar daar hoef je toch niet mee te beginnen. Paulus, die tegen de gemeente van Corinthe zegt: 'Ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus en die gekruisigd', durft hier in Athene toch zo heel anders te beginnen. De Bijbel begint overigens ook niet met het kruis, maar met de schepping, dat wil zeggen met dat wat alle mensen gemeen hebben.
Ik herinner me een gesprek voor de TV tussen Henk Binnendijk en de al weer geruime tijd geleden gestorven dichter en zanger Jules de Corte. Jules de Corte, blind, maar altijd blijmoedig, een dichter van teksten die getuigen van een serieuze levensinstelling. Aanknopingspunten genoeg om met zo iemand te praten over het leven, de gebrokenheid en de blijmoedigheid en dat alles te zetten in de context van wat christenen geloven. Maar in het gesprek ging het over het feit, dat Jezus moest komen om ook voor de zonden van Jules de Corte te sterven. En daar liep het ook helemaal vast. Naar mijn idee was het vele bruggen te ver.

Maar goed, over vastlopen van het gesprek gesproken, je ziet toch ook bij Paulus op een gegeven moment een breuklijn optreden? Bij Paulus haken de Atheners voorlopig af wanneer ze hem horen spreken over opwekking uit de doden. Dat vinden ze zo'n raar verhaal. Laat nu maar even zitten verder, zeggen ze. Anderen zeggen: tot de volgende keer. Misschien is het dan weer wat plausibeler.
Deze afloop van het verhaal moeten we niet overslaan. Het leert ons dit: het is heel boeiend zover mogelijk met de niet-gelovige of anders-gelovige op te lopen, maar het is niet zo, dat die automatisch wel een keer christen wordt. Het is niet zo, dat je vanzelf christengelovige wordt, als je maar diep genoeg hebt nagedacht, diep genoeg gespit hebt in jezelf, ontvankelijk genoeg geworden bent voor alle signalen van God om je heen. Nee, je komt allemaal een keer voor een hobbel en over die hobbel moet je heen getild worden door de Heilige Geest.

We moeten dus nooit denken: door zoveel mogelijk aan te sluiten bij die ander, praat ik hem wel een keer naar het geloof toe. Nee. Zeg het ook eerlijk: uiteindelijk kan ik jou het geloof niet geven. Poets de ergernissen ook niet weg. Maar blijf intussen toch vertrouwen, dat God iets doet met jouw woorden. Zelfs in het betweterige Athene zijn mensen tot geloof gekomen, al waren het er dan ook maar weinig. Maar onder hen was toch ook weer een invloedrijk man, Dionysius de Areopagiet, een man die behoorde tot de raad van de Areopagus, een soort college van rechtspraak en bestuur. Je weet maar nooit hoe het Evangelie dan toch weer verder komt. Athene levert niet zo'n grote oogst op. Zending onder mensen die zoveel weten en vooral die zoveel denken te weten, is niet zo eenvoudig. Vandaag nog niet. De gemeente van Christus heeft vaak bestaan uit eenvoudigen. Kennis en geleerdheid is een gave, maar kunnen een mens ook danig in de weg staan. We zijn allemaal vandaag zoveel 'geleerder' geworden dan vroeger. Het probleem is niet, dat het geloof niet tegen 'geleerdheid' kan, dat het geloof alleen maar voor weinig ontwikkelde mensen is. Het probleem is wel, dat we met onze vermeende kennis God steeds in de rede vallen en op 't laatst helemaal niet meer openstaan om te luisteren. En toch, er zijn heel knappe mensen, die geloven en er zijn heel domme mensen, die niet geloven. Gelukkig hangt het daar niet van af. Voor ons geldt: vertel het goede nieuws aan alle mensen: open, winnend , wervend, eerlijk. God zal er het Zijne mee doen.