Handelingen 17:16-34 (2), 'De breuk'

Preek, dr. W. Dekker

De breuk

Er wordt een legende verteld over de Friese koning Radboud. Hij leefde ongeveer 700 na Chr. toen Willibrord het Evangelie kwam prediken in Nederland. Het verhaal gaat, dat hij zich hevig verzette tegen de komst van het christelijk geloof in het Friese land. Hij zag dat als Frankische import. Maar op een gegeven moment was hij toch bijna zover, dat hij zich zou laten dopen. Met één been stond hij al in het water, maar toen zei hij tegen de zendeling: ik heb nog één vraag: ik laat mij dopen en dan word ik gered, zeggen jullie. Maar hoe zit het met mijn voorouders? Zijn die óók gered of niet? Die zijn niet gered, zei de zendeling. Toen trok Radboud zijn been terug uit het water en zei: dan wil ik ook niet gered worden. Hij liet zich niet dopen, maar bleef zich levenslang verzetten tegen het christelijk geloof.

Het verhaal is misschien niet echt gebeurd, maar het zou wel gebeurd kunnen zijn: ik wil niet gered zijn als mijn voorouders verdoemd zijn eenvoudigweg, omdat ze heidenen waren. Ik vroeg me af, toen ik dit verhaal weer las: had deze zendeling Handelingen 17 niet gelezen? Misschien niet, want de bijbelkennis was toen nog niet groot, zelfs niet bij zendelingen.

In ieder geval pakt Paulus het in Handelingen 17 anders aan. Hij zegt tegen de mensen die de afgoden dienen in Athene: God ziet de tijden der onwetendheid voorbij. Met andere woorden: tot vandaag konden jullie niet beter weten. Jullie probeerden op je eigen manier God je Schepper te vinden; helemaal verkeerd, door beelden te maken van hout en steen, maar God rekent het jullie niet toe. Vanaf vandaag echter rekent Hij het jullie wél toe, want nú klinkt de roep: bekeert u - heden zo gij zijn stem hoort, verhardt u niet.
We hebben in de vorige preek gezien hoe Paulus probeert dichtbij de mensen in Athene te komen. Hij knoopt aan bij het altaar voor de onbekende God en de dichter Aratus, die schreef: 'Wij zijn ook van Gods geslacht'. Nu zien we opnieuw hoe hij dichtbij hen komt. Hij slaat hen niet om hun oren met alles wat ze tot nu toe verkeerd gedaan hebben: God ziet de tijden der onwetendheid voorbij.

De vraag is of we dat vandaag nog zo mogen doen. Je zou kunnen zeggen: wij leven nu al eeuwen in een christelijk land, dus iedereen heeft het kunnen weten, eigen schuld als hij het Evangelie afwees. Toch is dat nog maar de vraag. In onze steden leven jonge mensen wier overgrootvader al rond 1900 koos voor het socialisme en brak met de kerk. Hele geslachten zijn totaal in onwetendheid opgegroeid. En die moslim, kan hij het helpen, dat hij in Marokko geboren is? Je zou er toch ook heel moedeloos en heel verdrietig van worden, als je zou moeten geloven dat al die mensen die er niet van gehoord hebben, verloren zouden gaan. De tijden der onwetendheid tot aan Christus' komst, maar ook daarna tot de komst van de zendelingen en ook nog vandaag: er niet in opgevoed, er niet in opgegroeid. Maar het blijft niet bij dit begrip van Paulus. Want nú God tot bekering roept, zegt hij: alle mensen overal. En dat is niet vrijblijvend, want binnenkort komt het oordeel - God zal de aarde rechtvaardig oordelen door een Man, Die Hij daartoe heeft aangesteld. En dat Hij Hem heeft aangesteld, dat is niet zomaar een verhaaltje. Nee, Hij heeft Hem opgewekt uit de doden. Op die manier heeft God Hem openlijk aangesteld. Al met al is dát dus wel heel confronterend. Eerst valt op in de aanpak van Paulus hoe ver je de ander tegemoet kunt komen. Die ander, die wij ontmoeten in de zending, de evangelisatie, is niet zomaar de blinde heiden, die aan God noch gebod doet. Nee, ook hij is van Gods geslacht - alle mensen zijn Gods schepselen - ze zijn misschien verdwaald, heel ver van huis geraakt, maar God is hen nooit helemaal kwijt en al hun onrustig zoeken en dienen van andere goden laat zien, dat ze ergens op zoek blijven naar hun Schepper.
Maar nu, aan het slot van het verhaal, gaat het over het moment van de confrontatie. Nú moet je kiezen, nú moet je je bekeren, want er komt een oordeel. Het zal voltrokken worden door Jezus, die is opgestaan.

Dat is nogal wat. Is dat niet allemaal veel te heavy, veel te zwaar, veel te massief, veel te onbegrijpelijk ook, want wat moeten die Atheners zich nu voorstellen bij die Man Jezus, die is opgewekt uit de dood? Dat is toch abacadabra voor hen... geen wonder toch, dat sommigen spotten en anderen zeggen: tot een volgende keer, want nu wordt het ons te machtig. En het is eigenlijk wel een heel groot wonder, dat er ook nog een paar geloven.
Aan het einde van het jaar 2000 gaf de IZB het boek 'Uitgedaagd door de tijd' uit. Over christelijke zending in een postmoderne samenleving gaat dat boek. Eén van de mensen, die we om commentaar vroegen, was professor Van de Beek. Hij zei: weet je wat ik dacht, toen ik het boek gelezen had: 'Moet er volgens de IZB nog gedoopt worden?' Met andere woorden, jullie komen de mensen van vandaag wel heel erg tegemoet, helemaal op de lijn van het eerste deel van de preek van Paulus op de Areopagus, maar waar blijft het tweede deel? Er is bekering nodig, de doop als breuk met het oude leven, sterven aan al het oude om op te staan tot een nieuw leven. Ik vond dat geen onzinnige vraag, moet ik zeggen. Het is veeleer de spanning, die ik ook steeds voel vandaag. We willen zo graag iedereen begrijpen, iedereen tegemoet komen, maar durven we ook nog te spreken over de breuk, de noodzaak van omkeer?

Ik leg dat ook maar als vraag voor aan u, aan jou. Durf jij over dit soort zware onderwerpen te beginnen met die collega op je werk, met die medestudent? Niet zo makkelijk, zegt u. Inderdaad, dat vind ik ook. Maar misschien moeten we dan nog wat dichterbij onszelf beginnen. Je kunt niet iets aan een ander vertellen, als je zelf er niet diep van binnen van overtuigd bent. En je bent er zelf niet diep van binnen van overtuigd als je er geen ervaring mee hebt. Heb jij zelf ervaring met wat bekering betekent? Heb jij zelf iets in je leven ontdekt, dat je moest loslaten, dat pijn deed? Paulus had zelf een heel sterke ervaring met wat bekering betekent, toen hij op de weg naar Damascus radicaal van koers moest veranderen.

Wat betekent 'geloven' dan voor jou, vraagt iemand? Nou, dat betekent voor mij, dat ik ontdekt heb, dat ik niet zomaar m'n eigen leventje kan leven, heerlijk doen waar ik zelf zin in heb. Geloven betekent voor mij, dat ik elke dag weer vraag: Heer, wat wilt U dat ik doen zal? En vind je dat niet verschrikkelijk lastig dan? Jawel, maar ik vind het ook heel bevrijdend. Want ik heb ontdekt dat dat 'heerlijk m'n eigen leventje leiden' helemaal niet zo heerlijk is. Dat dat in feite heel egoïstisch is. Dat andere mensen er het slachtoffer van worden. Dat ik in feite ook vaak helemaal niet zo blij en zo vrij ben als ik denk, want dat ik vaak een slaaf ben van mijn eigen driften en hartstochten.

Kijk, zó denk ik, dat het vandaag ongeveer moet. Persoonlijk, vanuit je eigen ervaring, authentiek, getuigend van binnenuit. We hoeven Paulus niet precies na te doen. Zomaar confronterend gaan preken tegen mensen zal in de meeste gevallen niet zo werken. Je moet het doen vanuit je eigen diepste overtuiging, vanuit je eigen ervaring ook, heel levensecht, maar dan kom je nog wel bij hetzelfde uit als Paulus: je kunt nooit om de bekering heen en je kunt ook niet om die Man heen, die God heeft opgewekt uit de doden. Wie is die Man dan, waar heb je het in vredesnaam over? Wel, ik heb Hem zelf ontmoet.
Opgewekt uit de doden, een fabeltje...Ja, dat had ook Paulus gedacht totdat Hij Hemzelf ontmoette op de weg naar Damascus. Ten laatste is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene, schrijft hij later aan de gemeente in Corinthe. (1 Cor.15).
En je kunt ook niet om het laatste oordeel heen, want iets van dat laatste oordeel heeft zich al in je eigen leven voltrokken, toen je oude mens met Christus gekruisigd werd en de nieuwe mens op mocht staan, toen je gedoopt werd, toen God tegen jou zei: jij hebt geen gelijk, ik moet jouw oude bestaan veroordelen, maar ik geef jou een nieuw bestaan; gerechtvaardigd, vrijgesproken in mijn oordeel mag je een nieuwe mens zijn - het oude is voorbij gegaan, het is alles nieuw geworden.
En sindsdien verlang je ook naar het definitieve laatste oordeel over heel de wereld, omdat je weet dat dan pas alle dingen echt nieuw zullen worden. Het mág toch zo niet doorgaan, het kán toch zo niet doorgaan, zoals het nu op aarde is... dan komt het toch nooit goed. Dan zullen toch altijd de sterken het weer winnen van de zwakken, dan zal er toch nooit vrede zijn.

Bekering, laatste oordeel, Eén is er al opgestaan uit de dood.
Het lijkt alsof Paulus na alle vriendelijke en invoelende woorden van het begin nu ineens op een heel andere toer zit: streng, confronterend, hard. Maar is dat nu wel zo?

Is dit nu niet de bevrijdende boodschap, die de mensen in Athene, die alle mensen altijd weer nodig hebben, wil het ooit anders worden? Of moet het dan niet anders worden? Moet ik dan niet loskomen uit dat egoïstische leventje, waarin alles cirkelt om mijn eigen belangen? En moet het rijke westen dan niet loskomen uit dat oneerlijke systeem, waardoor de armen steeds armer worden en moeten de zwaarden dan niet omgesmeed worden tot ploegscharen, wil het ooit vrede zijn? En als het niet waar is van die Ene die is opgestaan uit de dood, is dan het leven niet vreselijk troosteloos? Komen we dan ooit verder dan de oppervlakkige uitspraak: laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij? Het lijkt zo leuk, maar het is in wezen zo in en in triest. Die harde confronterende boodschap van Paulus is in wezen zo ongelooflijk bevrijdend en de enige boodschap, die echt uitzicht geeft op een andere wereld.
En toch zijn er helaas maar weinigen, die de boodschap aanvaarden. Is dat niet een teleurstellend slot van zo'n lange en zeer doordachte evangelieverkondiging? Nou ja, laten we eerst dankbaar vaststellen dat sommigen wél geloven. Onder wie ook Dionysius, de Areopagiet, niet de eerste de beste, een man uit het bestuurscollege van de Areopagus, een drager van de cultuur, een voorbeeldfiguur. Als hij gelooft, zal dat zeker invloed hebben op anderen.
Laten we daar vandaag ook aan werken, voor bidden, dat ook vandaag vooraanstaande figuren in onze samenleving tot geloof mogen komen, in de politiek, de wetenschap, de kunsten. Hun invloed kan zo groot zijn. Dát er mensen tot geloof komen, is sowieso zo'n wonder. Want we weten toch zelf van al de weerstanden van ons eigen hart. Je werkelijk bekeren, dat is zeer ingrijpend, dat doet een mens niet zomaar. En toch gebeurt het. Dat is een wonder. Laten we God voor dat wonder danken. Ook vandaag. En al die tegenstand dan en dat ongeloof en dat spotten met de opstanding? Dat is verdrietig. Maar we zullen ons er niet door uit het veld laten slaan. Had Paulus zelf er eerst ook niet mee gespot? Stefanus zag de hemel geopend en Jezus staan aan de rechterhand van God, maar Saulus had gezegd: onzin, inbeelding van een blinde fanaticus.

Het kan verkeren. Ook die collega op je werk, die zegt: man je bent gek, dat je dat gelooft, kan veranderen. Laat het los, laat het aan God over. Paulus gaat niet zitten tobben over het ongeloof. Hij gaat verder. Na Athene komt Corinthe en na Corinthe komt Efeze. En spoedig komt Jezus en alle oog zal Hem zien, ook het oog van degene, die Hem heeft doorstoken en alle tong zal belijden, dat Hij die Man is over wie Paulus sprak.