Johannes 4: 31-38 Preekschets

Preekschets door ds. Z. de Graaf, emeritus-predikant te Katwijk aan den Rijn

Wat me trof in dit ‘missionaire intermezzo' is, dat de gemeente door het geloof betrokken is bij het missionaire werk van de Vader en de Zoon. Dat verhindert de preek te laten opgaan in missionaire vuistregels of een vermoeiende ‘oproep'. Het zorgt voor een heilige vanzelfsprekendheid: de gemeente kan niet anders! Voor een grote ontspannenheid: het is niet haar werk! En voor een gegronde hoop: het loopt uit op oogst!

Uitleg

Vers 31-33: Weet Jezus wel dat het etenstijd is? Hij lijkt verstrooid, oppert Smelik .

Ik heb een spijs te eten waarvan ge niet weet. Echein + infinitief: iets te doen hebben uit innerlijke overtuiging (zie 6:35 en 6:50,51). Het zo genoemde Johanneïsche misverstand. Een ‘spijs te eten hebben' wordt tot een metafoor. Zoals het water in dit hoofdstuk en het brood (Joh. 6). Misverstand bij buiten- en binnenstaanders'. Het is bij Jezus nooit gesneden koek. Je moet nooit allereerst je ogen open doen, maar je oren. Maarten Luther: ‘Stop je ogen in je oren'.

Vers 34: Spijze, voedsel is iets dat je leven voedt. Jezus' leven wordt gevuld door de wil te doen van de Vader die Hem zond. Zie Psalm 40:7-9 en Hebreeën 10:5-9. Later lezen we: ‘Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zend Ik u' (Joh. 20:21). In Zijn discipelen - Zijn gemeente - zetten Vader en Zoon hun werk voort.

Zijn werk volbrengen: met deze opdracht is Hij gezonden in de wereld. Volbrengen (teleio-oo) = tot voleinding brengen. Zie Johannes 17:4; 19:30 (hier staat teleoo = voleinden).

Schnackenburg: Jesus lebt ganz aus der inneren Verbundenheit mit dem Vater, empfängt von diesem den Auftrag zum handeln und beugt sich gehorsam. Er ist von einem Sendungsbewustsein und einem solchen Eifer für die sache des Vaters erfüllt das die Dinge und Bedürfnisse dieser Welt zurücktreten. Seine Verbundenheit mit dem Vater erscheint hier nicht als eine mystische und metafysische, vielleicht mehr als Willenseinheit und Wirkgemeinschaft.(...) Sein gehorsames Dienen und Wirken zum heil der Menschen wird zugleich zum Vorbild für seine Jünger, die es aufnehmen und fortsetzen sollen.

Vers 35-36: Nog vier maanden en dan komt de oogst. Dat konden ze met een blik op de velden constateren. Tegenover het ‘zegt gij' van de discipelen zet Jezus ‘Zie Ik zeg u, slaat uw ogen op!" Jezus ziet andere ‘velden' en een andere ‘oogst'!

Oogst is in het OT al een eschatologisch begrip (Joël 3:13; Jes. 27:12). In gelijkenissen keert dat terug, bij voorbeeld in Markus 4:26-29. In Mattheüs 9:37 blijkt dat Jezus deze eschatologische oogst als nabij zag en hoe die oogst eruit ziet. Met Jezus is het eschaton al aanwezig. Hij is begonnen met het inzamelen van de vrucht (zie Joh. 12:24; Rom.1:13; 1 Cor. 9:7). ‘Ten eeuwigen leven': voor het eeuwige leven, met het oog op het eeuwige leven, dat volgens Johannes 5:24 en 1 Johannes 3:14 nu al begonnen is.

De twee-eenheid van de zaaier en de maaier kan niets anders betekenen (vers 34) dan die van de Vader en de Zoon.

Vers 37-38: Het spreekwoord verduidelijkt wat gebeurt. Ieder die gehoor geeft aan die missionaire opdracht zal deze waarheid ervaren. Nu komen kerk- en zendingsgeschiedenis in beeld. ‘Gij hebt de vrucht van hun arbeid geplukt', letterlijk: gij zijt ingetreden in de arbeid/moeite van ... ‘Arbeid' of ‘moeite': een woord dat we tegenkomen als een missionaire term bij Paulus. (Zie 1 Thess. 3:5; 1 Cor. 3:8, 15:10; Col. 1:29 ).

Schnackenburg: ‘Alle Missionstätigkeit steht in kontinuierlichen Zusammenhang mit der Sendung und dem Wirken Jesus, und jeder Missionar baut auf der Arbeit seiner Vorgänger auf. Die Zeit der Kirche ist nichts anders als die Verlängerung und Fruchtbarmachung der Zeit Jesu.'

Aanwijzingen voor de prediking

Ik heb me laten leiden door de meditatieve uitleg van E.L. Smelik. Hij schrijft bij vers 31-32: ‘Er is in Christus op zulke momenten iets van een heilige verstrooidheid, iets dromerigs ligt over zijn antwoord wanneer Hij daar, als met gesloten ogen ver van de nabije werkelijkheid zegt: het is mijn spijze dat Ik Gods wil doe en zijn werk volbreng'.

Hij stelt de vraag of Jezus een ‘verstrooide professor' is of juist heel geconcentreerd op wat er werkelijk te doen is en zijn dus de discipelen verstrooid? Jezus weigert alle afleiding van de taak die Hij te doen heeft, namelijk het werk van de Vader volbrengen. Het is etenstijd! Tijd voor een diepe concentratie, in verbondenheid met Jezus:

1. op de wil van de Vader

2. op het doel van de Vader: de oogst.

3. op het werk van de Vader: zaaien en maaien.

De preek

1. De verzen 27-30 wellicht navertellen en beëindigen met de opmerking dat het inmiddels etenstijd geworden is. Dan komt het misverstand. Etenstijd betekent voor Jezus iets heel anders. Geef aandacht aan het feit dat zowel binnen- als buitenstaanders Hem misverstaan. Wat Hij zegt is nooit gesneden koek. Je moet open staan (gaan!) voor zijn woorden.

Jezus verdringt niet de gewone dagelijkse dingen. Zie de bruiloft te Kana. Psalm 40 kan hier meeklinken. Vaders wil moet ‘volbracht'. Zo duurt Jezus' etenstijd de lange dag van zijn leven, in één grote concentratie op die wil. Daarin mag Hij niet gestoord worden.

Dus wie zijn nu verstrooid hier? Hij of zijn volgelingen? Ga na waar we op geconcentreerd zijn, welke afleiding ( en waarvan af dan?) we zoeken. Jezus betrekt de gemeente bij die concentratie. Is dat de constante van ons leven? Zie ook Markus 3:31-35! Gemeente zijn is een werkgemeenschap vormen met deze Zoon en Zijn Vader. Met een samengevoegd hart (zingt psalm 86). Daarin niet af te leiden, niet gestoord! Want het is etenstijd.

2. Het gesprek wordt concreter. Als Jezus de Samaritanen ziet naderen, zegt Hij: daar is de oogst. Een lijn valt te trekken naar gelijkenissen over de oogst. Bij Johannes is die nu al begonnen. Zoals het eeuwige leven bij hem nu al begint (zie Joh. 5:24).
De oogst bestaat uit Samaritanen. Jezus ziet in Mattheüs 9 de schare, voortgejaagd en afgemat, als Zijn oogst. We leven temidden van de oogst: de verstrooide mens van deze tijd, die zoveel te eten heeft en zoveel om zich op te concentreren en die zich door van alles laat afleiden.

Geef voorbeelden uit verschillende lagen van de bevolking (gemeente!) en waar het leven door gevuld wordt! Jezus laat zich niet storen, maar stoort ons met zijn vraag: ‘Verstrooide professoren', zien jullie (in al die mensen bij jullie in de straat, in je dorp of wijk) de oogst? En wat doe je eraan?

Etenstijd is oogsttijd

3. Oogst is een eschatologisch gegeven (Openb. 14:14-20!) Jezus verplaatst die naar nu! Tot vreugde van de zaaier (de Vader) en de maaier (de Zoon). Werk waarin de gemeente betrokken wordt (Joh. 20:21). Dat geeft ontspannenheid aan het missionaire werk. Gemeente zijn is betrokken geraakt zijn bij dit geweldige zaai- en maaiwerk (en bij de blijdschap!) van Vader en Zoon. Met alle beloften en verhalen die de Bijbel ons daaromheen vertelt. Verblijden: woord dat bij oogst past (Jesaja 9, Psalm 126 en het slot van de gelijkenissen in Lukas 15!) De grote blijdschap van de oogst is ons leven binnen gekomen. Zo zal het voortaan gaan: de een zaait met alle moeite van dien (zie weer Psalm 126!) en de ander maait en plukt de vrucht. En soms mag je het allebei doen. Denk aan de opvoeding, aan evangelisatie en zending.

Het verhaal krijgt een enorm perspectief. Het gaat om een kerk die zich laat uitzenden tot zaaien en maaien in een wereld die er niet op wacht. Daar zit de moeite! Of moet Jezus zeggen: het leeft niet? Lettend op gesprekken na de dienst, de agenda van de kerkenraadsvergaderingen, vragen van mensen op huisbezoek? Zijn we zo geconcentreerd op ‘ons eten' en niet ‘af te leiden' van óns werk?

Hoe wordt dat dan anders? Door akker te zijn voor het zaad van het evangelie, dat ons betrekt bij het werk van Vader en Zoon. Om zo'n gemeente gaat het, die daarbij al de beloften van God ‘mee' heeft! En de Geest van Pinksteren!

Etenstijd is werktijd. En voorlopig zingen we tijdens het werk psalm 126 (met de vreugde en de tranen) en blijft het gedicht van Adriaan Roland Holst ons bemoedigen:

‘Ik zal de garven niet meer zien,

noch binden ooit de volle schoven,

maar doe mij in de oogst geloven,

waarvoor ik dien.'

Liturgische aanwijzingen

Schriftlezingen: Psalm 40:1-9; Johannes 4: (26-30) 31-38 (39-42); 1 Corinthiërs. 3:1-9.

Liederen: psalm 22:67, 72, 86, 87; gezang 168, 244 , 249, 304, 312, 313, 314.

Voorbede: Aansluitend op Jezus' woord (Mattheüs 9:37,38) bidden we om arbeiders in de oogst en voor de dagelijkse zaaiers thuis en in het christelijk onderwijs.

Geraadpleegde literatuur

Uit de serie ‘Prediking van het Nieuwe Testament': E.L.Smelik, De weg van het woord, het evangelie naar Johannes. Vanwege de meditatieve toonzetting geeft hij beeldende mogelijkheden voor de preek. Rudolf Schnackenburg, Das Johannesevangelium (Herders Kommentar zum NT).

Ds. Z. de Graaf, emeritus-predikant te Katijk a/d Rijn