Rom 13:12, Preekschets voor zondag Epifanie

Door dr. W. Dekker

Tekst
Romeinen 13:12: De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij.

Schriftlezing
Romeinen 13: 11-14

Het eigene van de zondag
De lezing die we gekozen hebben voor deze zondag na Kerst, de zondag van Epifanie, is de oudkerkelijke epistellezing voor de eerste Adventszondag. Epifanie is de openbaring van het licht in deze wereld. Sinds dit Licht verschenen is, ligt de nacht achter ons en zijn we op weg naar de dag waarop geen nacht meer zal volgen. Zo is deze lezing behalve voor de eerste zondag van Advent ook zeer geschikt voor Epifanie.

Uitleg
De perikoop maakt deel uit van de paranese, die in hoofdstuk 12 begonnen is met de opwekking tot de volkomen toewijding aan de wil van God en die eindigt bij 15:13. Daar ergens middenin dit grote stuk wordt het diepste motief tot de vermaningen gegeven: de kairos, de beslissende wending, die de geschiedenis gemaakt heeft door de komst van Jezus Christus. Voor wie in Hem gelooft geldt, dat de nacht achter hem ligt en de grote dag vóór Hem. Hij kan nog alleen als kind van het licht zijn weg gaan. Ook elders in de brief zag de apostel de mens op de scheiding van een ‘maar nú': 3:21, 6:20-22, 7:6. De beelden van slaap en ontwaken, nacht en dag, duisternis en licht, strijd en wapens komen ook voor in Efeze 5 en 6 en in 1 Thessalonicenzen 5.
Sootèria (vers 11), ‘het heil', wordt hier vooral als de volkomen eschatologische vervulling geduid. De betekenis van de tekst is, dat de gelovigen van dag tot dag dichter komen bij de grote heilsdag. Van dag tot dag meer in het licht wandelen heeft als consequentie alles achter laten wat bij de nacht hoort.
Vers 12, opmerkelijk de wapenen van het licht tegenover de werken van de duisternis. Hoplon (wapen) kan zowel een verdedigings - als een aanvalswapen zijn, neutralere betekenis: werktuig. Hier dus niet in de preek de beelden van de wapenrusting Gods uit Efeze 6 gaan uitwerken, dan overlaadt men de tekst. Wel zit er de gedachte in, dat het in het christenleven om een geestelijke strijd gaat.
Sarx (vers 14) is bij Paulus altijd verbonden met zonde en dood, het gaat nooit over het lichaam puur. Hier moet in ieder geval het verband gezien worden met het voorgaande; het lichaam kan als genotartikel en lustobject gaan functioneren. Zorg ervoor dat dat niet gebeurt, wil Paulus zeggen, want daarin komen de destructieve krachten van het ‘vlees' openbaar(vgl. Rom. 8:13). Wanneer het puur om het lichaam gaat gebruikt Paulus het woord sooma( vgl. 1 Cor. 6:13 vv.). NBV vertaalt hier heel goed met: 'uw eigen wil'.

Aanwijzingen voor de prediking
Verschillende uitleggers beschouwen de perikoop als een vermaning bij de doop. Vooral het afleggen van de werken der duisternis en het aandoen van de Here Jezus Christus zouden in de richting van de doop kunnen wijzen. Vgl. Gal. 3:27 en Ef. 4: 22-24. Het is voor de prediking hoe dan ook belangrijk de aansporingen van de perikoop op te laten komen uit de fundamentele verandering, die met de komst van Jezus Christus in deze wereld, heeft plaats gevonden en die door het geloof in de doop wordt bevestigd. ‘Der Indikativ regiert den Imperativ, das Evangelium erfüllt das Gebot, der Gnadenspruch ist der Kraf der Paränese'. (Iwand, 117).
De kairos duidt niet alleen op de historisch bepaalde tijd van de verschijning van Jezus Christus in deze wereld, maar ook op de existentieel ontvangen nieuwe wereld in de mystieke gemeenschap met Hem (de bekende uitdrukking ‘en Christooi ‘ bij Paulus).
Een heldere illustratie hierbij is de bekering van Augustinus. Het lezen van de woorden van onze perikoop vormden de afsluiting van een langdurig zoeken. In het achtste boek van zijn Confessiones beschrijft hij uitvoerig zijn worstelingen om al het oude los te laten en de smalle weg te gaan. De laatste en definitieve doorbraak komt, wanneer hij de kinderstem hoort, die zegt: ‘Tolle, lege'. ‘Met snelle schreden ging ik dus terug naar de plek waar Alypius nog zat: daar had ik namelijk het boek van de apostel neergelegd, toen ik er was opgestaan en weg gegaan. Ik pakte het, deed het open en las zwijgend de passage waar mijn ogen het eerst op vielen: "Niet in brasserij en dronkenschap, niet in slaapkamers en oneerbaarheden, niet in twist en naijver, maar trekt de Heer Jezus Christus aan en vertroetelt niet het vlees in begeerlijkheid". Verder lezen wilde ik niet en het was ook niet nodig. Want meteen, bij het eind van deze zin, stroomde er als een licht van zekerheid in mijn hart binnen en vluchtte al de duisternis van mijn weifelen en twijfelen heen'. (De belijdenissen, 246) Lekkerkerker schrijft in dit verband: ' Zouden deze woorden Augustinus daarom zo sterk hebben aangesproken op een kritiek ogenblik van zijn leven, omdat hij verkeerde in een overgang van de tijden en zelf jarenlang leefde op de grens van oude en nieuwe aeoon?'. (Lekkerkerker, 148).

Benoemen
Wat tegendraads zou je christenen moraalridders kunnen noemen. Maar dan gaat het niet om standpunten, waardoor we in de kerk tegenover elkaar komen te staan (bijvoorbeeld inzake homofilie), maar om een levenswandel, die afstand neemt en tegelijk toewijding kent. Afstand van het teugelloze, dat ook onze samenleving zozeer kenmerkt en toewijding aan de dienst aan God en de ander(12:1 vv.), het offer. De preek moet hier niet in het vage blijven steken, maar ‘scherp aan de wind zeilen'. Bij de woorden die Paulus gebruikt om de teugelloosheid van zijn wereldtijd aan te duiden hebben de lezers heel concrete beelden voor ogen gehad. Wij moeten de gulzigheid van onze cultuur benoemen wat betreft eten, drinken, vrolijk zijn, seksuele aberraties, maar ook wat betreft de overmatige consumptie, de uitbuiting van de natuur. Christenen zijn anders. Hun positieve insteek in het leven is de toewijding aan de zaak van God, de barmhartigheid waarmee God in Christus de wereld omarmt (v 12vs.1). Ze staan niet alleen defensief in de wereld, maar ook actief strijdend met de wapenen van het licht. Verder is hun kenmerk ‘innerweltliche Askese'' , wel in de wereld, niet van de wereld. Dit laatste kan echter gemakkelijk een cliché worden.
De preek aan het begin van het nieuwe jaar nodigt er juist toe uit te spreken over concrete keuzes. Goede voornemens? Dit is een belaste term. Maar misschien toch deze uitdrukking durven hernemen. Wat past bij de invulling van onze levenswandel aan het begin van een nieuw jaar, nu de nacht ten einde is, de dagen langer worden, omdat het licht van Christus' rijk ons tegemoet straalt? Kleding, outfit, luxe artikelen, eetpatroon, uitgaansleven, laten wij dit alles nog eens opnieuw bezien in het licht van het rijk van Christus. Tegenover dit rijk van Christus staat ‘het vlees' en het rijk van de begeerte. Daar laten we ons leiden door onze eigen primaire verlangens. Het is de schijnwereld, die altijd weer teleurstelt.
In de contemplatieve psychologie spreekt men in dit verband van het ego: ‘Ego is datgene dat ieder van ons ertoe aanzet zijn eigen koninkrijk te scheppen, te verdedigen en te vergroten. Dit ego ziet zelfverheffing aan voor zelfontplooiing, impulsiviteit voor spontaneïteit en macht om de eigen verlangens te vervullen verwart het met vrijheid. Vandaar dan ook dat in veel tradities over de spirituele weg gesproken wordt als een transcenderen van ego. In sommige christelijke tradities wordt daar wel de term ‘ego-kruisiging' voor gebruikt. Ego is hier de verstokte zondaar, het centrum van onze eigenwaan, het centrum van ons egoïsme'. (Han F. de Wit,65).
Het gaat erom in de preek te proclameren, dat er een nieuwe tijd is aangebroken met de komst van Christus. ‘Die Prediger sind die Hähne, die den Morgen ankündigen". (Luther, 300).Die nieuwe wereld is tegelijk eschatologische werkelijkheid. Ze komt op ons toe en elke dag van het nieuwe jaar brengt ons er dichterbij. Maar het deelhebben aan deze wereld betekent heel concreet en praktisch andere keuzes maken dan de keuzes, die in de oude wereld worden gedaan. Het is de taak van de prediker te helpen onderscheiden waar het op aankomt. Dan kan het niet zonder concrete voorbeelden. Maar in die voorbeelden moet de wortel, het basisprincipe van de twee werelden voelbaar worden. Vervolgens heeft de prediker ook de taak van een mystagoog, een geestelijke begeleider, die met zijn hoorders in gesprek gaat over de moeiten van het loslaten en de vreugde van het kind van het licht zijn. Wat mensen zoeken met behulp van spirituele cursussen: komen tot het diepste zelf, de waarachtige menselijkheid voorbij aan de waan de dag en de leugen van de schijnwereld, wordt in de kerk op bijzondere wijze geschonken in het evangelie. Maar dat kan niet alleen geproclameerd worden, de hoorder moet ook bij de hand genomen worden en geholpen dit nieuwe spirituele pad te gaan, omdat de reis nog niet ten einde is zolang de laatste grote dag van het licht nog niet is aangebroken.

Liturgische aanwijzingen
Psalm 86:1,4; Psalm 101:1,2,3; Psalm 119:7,12,14, 38, 40, 49; Gezang 168, 169, 462.
Als evangelielezing zou gedacht kunnen worden aan Matteüs 4: 12-17. Lezing Oude Testament Jesaja 60:1-6, met daarin volgens de traditie de verwijzingen naar de geschenken van de drie koningen.

Geraadpleegde literatuur
In Postille 25, 217vv., een schets van L. van Nieuwpoort met uitstekend exegetisch materiaal vooral wat betreft de kairos (vers 11).
Hans Joachim Iwand, Predigtmeditationen. Zweite Folge, Göttingen, z.j.
A.F.N. Lekkerkerker, De brief van Paulus aan de Romeinen II, In de serie: De Prediking van het Nieuwe Testament, Nijkerk 1965.
De belijdenissen van Aurelius Augustinus, vertaald door Gerard Wijdeveld, Utrecht/Merksem z.j.
D.Martin Luthers Epistel-Auslegung, 1.Band, Der Römerbrief, Göttingen 1963
Gottfried Voigt, Das heilige Volk. Homiletische Auslegung der Predigttexte. Neue Folge: Reihe II, Göttingen 1979.
Han F. de Wit, De verborgen bloei. Over de psychologische achtergronden van spiritualiteit, Kampen tweede druk, 1994.