'Waarom moest Jezus Christus zo zwaar lijden?'

Preek leerdienst over de verzoening, Wezep, dr. A.H. van Veluw

Gemeente van onze Here Jezus Christus,
Het onderwerp voor deze verdiepingsdienst is dus ‘Waarom moest Jezus Christus zo zwaar lijden?' Een moeilijke vraag, maar wel een over het hart van het evangelie. Goed om daar juist in de lijdenstijd eens met elkaar over na te denken. Waarom moest Jezus zo lijden? Waarvoor moest Christus zo'n zwaar offer brengen?
‘Voor onze zonden', zullen orthodoxe gelovigen direct zeggen, en dat geloof ik ook. Toch hebben veel mensen daar erg veel moeite mee. Wil God dan bloed zien? Wil Hij de dood van Zijn eigen Zoon? Waar was dat voor nodig? God kan toch ook zo wel vergeven, en ons tot Hem bekeren? Als orthodoxe christenen op deze vraag geen serieus antwoord kunnen geven dan worden er in preken nog wel de woorden genoemd die daar over gaan: ‘Jezus Christus is gestorven voor onze zonden', ‘verzoening voor voldoening', enzovoort, maar dan weet straks niemand meer wat de betekenis is van deze woorden. Dan worden het loze sjibbolets van een versteend orthodox geloof. Wij staan daarom als kerk voor een uitdaging, namelijk om ons geloof te verwoorden in deze tijd. Het is niet meer vanzelfsprekend.

De kern: bijbelse gerechtigheid
Als we achter de betekenis van verzoening door de kruisdood van Christus willen komen, dan moeten we starten bij de kern van waar het in de verzoening allemaal omgaat, om vandaar uit te proberen het beeld helder te krijgen. De kern waar het in verzoening om gaat is de bijbelse gerechtigheid. Het gaat er in de verzoening om, dat God recht doet. ‘God is barmhartig, maar ook rechtvaardig'. Zo belijden we ons geloof met de Heidelbergse Catechismus. Er moet dus iets recht worden gezet. Daar gaat het om bij verzoening door voldoening. Er moet iets voldaan worden. Anders gezegd: er moet iets genoeg gedaan, iets gecompenseerd, iets vergolden worden. Nu zouden we dat woord vergelden verkeerd kunnen verstaan. We zouden vergelden kunnen verstaan als: ‘iemand terug pakken', ‘iemand te grazen nemen'. Dat is echter niet het woord ‘vergelden' in de Bijbel. In het woord vergelden zit het woord ‘geld', dat wil zeggen ‘iets vergoeden'. Het woord vergelden heeft dus in de Bijbel een positieve betekenis. Het gaat erom dat daardoor ‘iets wordt goedgemaakt'. De betekenis is verwant met het woord ‘wraak'. God is ‘een God der wrake', zingt Gezang 77 vers 4. ‘Mij komt de wraak toe', zegt God. Dat is niet om bepaalde wraakgevoelens bot te vieren, zoals het bij mensen nogal eens functioneert, maar juist om iets recht te maken, om iets te helen. Eén van de Hebreeuwse woorden die we met vergelden vertalen, is een werkwoordsvorm die afkomt van de het woord ‘sjaloom', vrede. Dus met vergelden, vergoeden, wordt uiteindelijk de vrede beoogd. Dat is de bedoeling van Gods plan met de mensenwereld, dat er vrede komt, dat het goed wordt, dat er recht gedaan wordt.

Stillen van Gods toorn?
De vraag is natuurlijk, waaraan dan voldaan moet worden. Wat moet er vergoed worden? Waar gaat het om bij God gerechtigheid? Kort gezegd: aan Gods gerechtigheid moet genoeg gedaan worden. Maar hoe kan daar dan aan genoeg gedaan worden ? Het antwoord dat vooral in de Nadere Reformatie breeduit gegeven werd, is dat Gods toorn gestild moet worden. De vraag is echter of dat bijbels is? De gedachte komt pas heel laat in de Middeleeuwen op, omdat men een verklaring zocht voor die genoegdoening. Men kon niet bedenken wat er genoeg gedaan moest worden en daarom dacht men dat de spits van de genoegdoening was dat Gods toorn gestild moest worden. Men betrok dit echter veel te veel op een innerlijke gemoedsstemming van God, dan dat men zich afvroeg waar de spits van de bijbelse gerechtigheid op gericht was. Daardoor werd de genitief verbinding van het begrip ‘gerechtigheid Gods' verkeerd geïnterpreteerd. Ook vraag en antwoord 11 en 12 van de Heidelbergse Catechismus en ‘Cur Deus homo' van Anselmus, de grote theoloog van de klassieke verzoeningsleer, werden vaak zo geïnterpreteerd. Of de Heidelberger zo gelezen moet worden is de vraag. Anselmus, waarvan velen menen dat de HC daarop teruggaat, in elk geval niet. Men ging er daarbij namelijk van uit dat Anselmus teveel het beeld voor ogen had van God als een soort boze Middeleeuwse leenheer. God als grootgrondbezitter - van Hem is namelijk de hele aarde - is boos omdat mensen Hem niet eren. Zijn recht, Zijn eer is geschonden, en daarom eist Hij nu een offer van de mensen zodat Zijn gekrenkte inborst wordt genoeg gedaan. De mensen kunnen dat echter niet. Daarom geeft God Zijn Zoon als compensatie-offer waardoor Zijn toorn wordt gestild. Zo wordt verzoening door voldoening vaak opgevat. Dit is echter niet wat Anselmus bedoelde. Dit is ook niet wat de Bijbel zegt. Dit staat bijvoorbeeld erg ver af van God Vader die ons getekend wordt in de gelijkenis van de verloren zoon. Maar ook de toornende God van het Oude Testament lijkt hier niet op zoals we verderop nog zullen zien. Bovendien is dit ook niet wat de grote traditie van de kerk door de eeuwen heen heeft gezegd. Ook Bavinck bijvoorbeeld wijst dit af.
Deze gedachte is namelijk veel meer gevoed vanuit de heidense gedachte dat goden in zichzelf boos en geërgerd kunnen zijn. Zo zijn de afgoden inderdaad. Kijk bijvoorbeeld maar naar de Griekse en Romeinse goden, of ook de Germaanse goden die onze voorouders hebben vereerd. Dat zijn dat allemaal goden die gauw op hun tenen getrapt zijn. Zo is niet de God, die wij hebben leren kennen door Jezus Christus. Deze God is vol liefde en kan echt wel tegen een stootje. Bovendien als we wel deze richting op denken, dan komen we ook met de bijbelse voorbeelden van de verzoening in de knoop. Laten we daar eerst eens naar kijken, wat de Bijbel allemaal voor voorbeelden geeft van de verzoening in Christus.

Bijbelse beelden van verzoening
In de Bijbel komen we verschillende beelden van verzoening tegen. Als eerste noemen we het beeld van de ruilhandel op de markt: Christus gaat in onze plaats. Ten tweede het beeld van het loskopen van slaven: Hij is de losprijs, wij worden vrijgekocht. Vervolgens het beeld van het offer: Hij opgeofferd in plaats van ons. Het beeld van de rechtbank: Hij veroordeelt en gestraft, wij vrijgesproken. Het beeld van de strijd: Hij strijdt voor ons tegen het kwaad en wij worden daarvan bevrijdt. Het beeld van de gevangenis: Hij wordt gevangen genomen, wij vrijgelaten. Het beeld van een ziekte: Hij wordt ziek gemaakt, zodat wij weer gezond worden. We moeten daarbij niet vergeten dat het in de Bijbel allemaal beelden zijn, gelijkenissen, die iets van de goddelijke werkelijkheid van de verzoening vergelijken met iets uit de menselijke wereld. Nu moeten we deze beelden niet te ver doortrekken, maar ze slecht bezien op het punt dat het wil maken. Met andere worden: we moeten goed beseffen dat zo'n vergelijking altijd beperkt is. Want als we namelijk zouden vragen bij het beeld van de losprijs, aan wie die de losprijs dan wordt betaald, dan gaat het fout. Er wordt in dit beeld alleen gezegd dat er een losprijs is betaald, en dat wij daardoor vrij zijn. Als je vraagt aan wie, dan overvraag je dit beeld. Dat is nu juist niet het punt van vergelijking. Doet men dat wel, dan krijg je antwoorden als: die losprijs is betaald aan de duivel. Maar waarom zou God iets aan de duivel betalen? Waarom zou God zaken doen met de satan?
Waarom zou God een deal moeten sluiten met dat leugenbeest? Die op het laatst toch in de poel van het vuur wordt gegooid, en wordt verbrand. Zou de duivel enige rechten hebben? Toen men inzag dat dit inderdaad absurd is, maar toch een antwoord wilde hebben op die vraag stelde men van de weeromstuit dan die losprijs dan zeker aan God betaald moest worden. Ook dat blijft echter een ongeoorloofde gevolgtrekking uit dit beeld. Dan zou toch weer geconcludeerd moeten worden dat God inderdaad bloed wil zien
Zo'n offer eist God dan blijkbaar. Dan moeten we van God dus geloven dat Hij niet uit genade kan vergeven, terwijl Hij ons mensen vraagt dat wel te doen. God vraagt ons namelijk wel om de naaste te vergeven als jezelf als hij berouw heeft. In Lucas 17 lezen we: stel aan de kaak wat er fout is en indien uw broeder berouw heeft vergeef hem, en niet een keer, maar zeventig maal zeven maal. Daarom moet de spits van die genoegdoening in een andere meer bijbelse richting gezocht worden.

Nogmaals gerechtigheid
Alleen als we het bijbelse woord gerechtigheid voldoende diep peilen, komen we bij het waarom van de verzoening door voldoening. Bij de bijbelse gerechtigheid gaat het er namelijk niet om, dat eerst Gods toorn gestild moet worden, omdat Hij anders niet zou kunnen vergeven. Kijk maar naar de gelijkenis van de verloren zoon. De vader die staat op de uitkijk, en als zijn zoon dan eindelijk thuis komt en berouw heeft, dan vergeeft hij hem zonder meer. Er is geen gevangenisstraf en hij hoeft zelfs geen compensatie te geven in de vorm van een terugbetalingsregeling. Hij zegt niet tegen zijn zoon: ‘ga eerst maar eens door het stof om wat je je vader allemaal hebt aangedaan. En hij heeft nogal wat gedaan. Hij heeft zijn vader niet alleen de rug toegekeerd, maar eigenlijk ook dood verklaard. Want door dat hij de erfenis opvroeg zei hij daarmee eigenlijk al dat zijn vader voor hem dood wat. Niets van dat alles. De vader vergeeft hem zondermeer, pure genade. Zo is God, want met de vader in deze gelijkenis wordt God de Vader vergeleken.
Door berouw en vergeving worden dus blijkbaar niet alleen persoonlijke relaties tussen mensen hersteld, maar ook die tussen God en mensen. Heeft de theologie die zegt dat Jezus Christus niet is gestorven voor onze zonden dan toch gelijk? Moet de kruisdood van Jezus Christus dan verstaan worden als slechts een gevolg van Zijn manier van leven, een manier die zoveel verzet opriep en wel uit moest lopen op Zijn gewelddadige dood? De gedachte is dan dat als je zo radicaal leeft je de woede van de tegenstander op de hals haalt, wat wel uit moet lopen op de dood. God wilde dat ook niet. Daarom moeten we volgens deze theologen achter de frase ‘moest de Christus dit niet lijden' ook helemaal geen goddelijk moeten zoeken. God was het wel helemaal eens met de voorbeeldige manier van leven van Jezus. Daarom wekte Hij Hem ook op uit de dood. Verder is Jezus doen en laten slechts een voorbeeld voor ons om na te volgen.
Als men dit echter zo stelt, doet men de teksten over het goddelijk moeten te kort. Bovendien hangt het heil van de wereld dan af van onze pogingen tot navolging. Het is de vraag of we daarmee de ‘condition humaine' ten diepste hebben gepeild. Anders gezegd: wie hier stopt, ‘heeft de zwaarte van de zonde nog niet overwogen'. (Anselmus) Maar dan moeten we doorvragen: wat vindt God dan zo erg, aan de zonde dat daar zo'n zwaar offer, zo'n compensatie tegenover moet staan Dat komt omdat God niet alleen een persoonlijke relatie met ons heeft, maar dat Hij ook nog een zaak met ons heeft. Over het beheer van de schepping die Hij aan ons heeft gegeven, heeft God ook nog een appeltje met ons te schillen. Dat in Zijn wereld de gerechtigheid met voeten wordt getreden, dat gaat Hem aan het hart. Dat vindt God erg. Dat er zoveel ongerechtigheid is in de wereld. Dat de sjalom zover te zoeken is. Dat er zoveel slachtoffers in de wereld worden gemaakt. Dat doet God verdriet. Dat doet Hem pijn, maakt Hem boos. Hij is vertoornd over het kwaad dat wij aanrichten in deze wereld. Zo begon het toch in het begin? Zijn de mensen niet geschapen voor de liefde en tot elkaar? Moet ik soms op mijn broer passen, vroeg Kaïn? Ben ik mijns broeders hoeder? Het antwoord op deze retorische vraag is duidelijk. Het antwoord wordt niet gegeven, omdat de lezer zelf wel weet wat het antwoord moet zijn. Daardoor blijft die vraag juist boven je eigen hoofd hangen. Jij als lezer stelt nu die vraag aan God: Ben ik mijn broeders hoeder? En je snapt wel wat God daarop zal zeggen: ‘Daarvoor heb ik jullie nu juist geschapen. De hele Bijbel wijst daarop. God liefhebben en je naaste als jezelf. Daar is het God om te doen. Wie nu zijn broeder doodt, een medeschepsel, doet niet alleen hem onrecht maar ook God, de Heer der schepping. Wie dat doet maakt God schepping krom. Wat krom is, roept om recht gemaakt te worden. Het bloed van Abel, dat staat tevens staat voor het bloed van alle slachtoffers na hem, roept van de aardbodem tot God. Zo lezen we in Genesis 4. Het bloed van Abel roept om recht tot God, de Schepper: ‘Heer van de schepping, U kunt dit toch niet over U kant laten gaan? Heer, Leenheer van de schepping, U die de schepping aan ons leent. U blijft ook zelf de eigenaar? Doet U er dan niets aan? Het is toch Uw eer te na, dat Uw schepping aan de verdoemenis zou ten onder gaan. Heer, weer eerlijk, Heer doe recht. Kom met juridische en materiële genoegdoening. De genoegdoening aan deze roep om Gods gerechtigheid is nu de spits van de bijbelse verzoening. Als aan de slachtoffers die wij maken recht geschiedt, dan komt God aan Zijn eer.

Gods eer

Dat God aan Zijn eer moet komen, daar wijst ook Anselmus op. Daar gaat het namelijk om bij de verzoening, dat God tot Zijn eer kwam, dat God eerlijk zou zijn. Het was namelijk Gods eer te na, om de schepping aan Zijn lot over te laten. Dat had God best kunnen doen. Hij had kunnen zeggen: ‘die schepping is mislukt, de mensen willen niet, weg er mee'. Maar dat was Zijn eer te na. God moet aan Zijn eer komen en als het een bende is in de wereld komt God niet aan Zijn eer. God de Grote Leenheer, voelt zich verantwoordelijk voor Zijn leengebied. Het is Zijn eer te na als daar geen gerechtigheid geschiedt. Wie aan Zijn schepselen komt, komt aan Hem zelf. Dat is het punt. Anselmus zegt heel duidelijk dat aan God zelf niets toegedaan en niets afgedaan kan worden. Als dat wel zou kunnen, zou God niet meer de volmaakte zijn. Daarom is de genoegdoening ook niet gericht op Gods inborst. God heeft geen genoegdoening nodig. Gods gevoel hoeft niet bevredigd te worden. God hoeft niet verzoend te worden, de wereld moet verzoend worden. Wij moeten verzoend worden, aan de gerechtigheid in Zijn leengebied, in Zijn rijksgebied, moet recht gedaan worden. De ongerechtigheid moet aan de kaak worden gesteld. Daarom is Hij gekrenkt. Op deze indirecte manier zondigen we ook nog eens tegen God. We kunnen zelfs zeggen: vooral tegen God. Daar is de Bijbel vol van. Neem nu eens Psalm 51. Een Psalm van David, toen de profeet Nathan bij hem gekomen was toen hij bij Bathseba was ingegaan. Wat zegt David in deze Psalm over deze zonde: tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uw ogen. Daar heb je nu precies het punt. Want wat voor zonde had David dan gedaan tegen God? Hij had Bathseba verleidt en haar man gedood. Kortom: hij had menselijke slachtoffers gemaakt. Dat is blijkens deze Psalm dus zonde tegen God. Het is zo erg dat David zelfs zegt: ‘tegen U alleen heb ik gezondigd'. Je zou toch ook denken tegen Bathseba en tegen Uria en tegen hun gezin, heeft David kwaad gedaan. Dat heeft hij, maar dát is in de Bijbel blijkbaar bij uitstek zondigen tegen God.
Dat blijkt ook uit wat er verder gebeurt met David. Nathan komt bij hem en vertelt een verhaal over een rijke en een arme man. De rijke had veel schapen en runderen. De arme had slecht één lammetje. Op een dag krijgt de rijke man bezoek. Hij neemt het lammetje van de arme man om zijn gasten te bereiden Als de David dat hoort zegt hij: ‘iemand die dat gedaan heeft moet de dood sterven'. Op deze wijze velt hij als koning-rechter zijn eigen vonnis. Nathan hoeft dan alleen nog maar de identiteit van de schuldige bekend te maken: ‘gij zijt die man'. David moet sterven, maar toch ook weer niet. In plaats van hem sterft het kind dat uit deze daad geboren wordt, dat kind dat verwijst naar dat andere Koningskind. Dat ook uit het geslacht van David en Bathseba geboren zal worden. De grote David. Hij moet sterven in plaats van David, om het onrecht dat David deed, te vergelden, te vergoeden ten opzichte van de slachtoffers. De dood van Jezus Christus is de genoegdoening voor al het kwaad dat daders doen. Op deze wijze hersteld God het recht. Precies zoals het in Psalm 46: 5 (oude berijming) staat: 't Is de Heer, die het recht der armen, der verdrukten gelden (vergelden, vergoeden) doet.' Dat is precies ook de spits van de oudtestamentische ‘tsedaka'. God komt op voor armen en verdrukten, voor weduwen en wezen. Dat is de ware, de redelijke godsdienst, zegt de Bijbel. We zouden het ook zo kunnen zeggen: God is barmhartig, en daarom ook rechtvaardig. In de Heidelbergse Catechismus vraag en antwoord 11 staat het nog een beetje voorzichtig, nog te onhelder: ‘God is barmhartig, maar ook rechtvaardig.' Alsof het twee dingen zouden zijn in God. Alsof God zou slaan met Zijn linkerhand en zou helen met Zijn rechterhand. Alsof er in God een tegenstrijdigheid zou zijn. Met het juiste zicht op de spits van de bijbelse gerechtigheid kunnen we nu inzien dat het een juist uit het ander voortvloeit. Daarom moeten we zeggen: ‘God is barmhartig en daarom ook rechtvaardig. Dat God barmhartig is betekent dat Hij met innerlijke ontferming is bewogen over het lijden dat mensen vanwege de zonde en het kwaad dat in de wereld is meemaken. Deze barmhartigheid bewerkstelligt dat God opkomt voor slachtoffers. Hij komt op voor het recht van armen en verdrukten. Dat kromme maakt Hij recht. Dat is Gods gerechtigheid. Daarvoor moest Jezus sterven. Om het bloed van Abel, het bloed van alle slachtoffers, dat van de aarde tot God schreeuwt, om alle onrecht te vergelden. De beulen hebben niet het laatste woord. God doet recht in Christus. God zelf neemt in Jezus Christus de straf op zich, die ons daders en slachtoffers de vrede aanbrengt. ‘Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de HERE'. Met andere worden: op Mij komt de vergelding. In Jezus Christus is dit vervuld geworden. Op Goede Vrijdag schenkt God de juridische genoegdoening. Aan de slachtoffers, maar daarmee ook aan God. Want wat we elkaar aandoen, doen we ook God aan. Laten we nog een keer luisteren naar de Verloren zoon, als die thuis komt: ‘Vader, ik heb gezondigd, tegen de hemel en voor U'.
Ook bij die ene moordenaar aan het kruis zien we dat. Wat had hij gedaan? Hij had een medemens, een broeder vermoord. Zijn kruisiging is daarvoor de juridische straf. Daarom vraagt hij ook niet of Christus hem van het kruis afhelpt, wat die andere misdadiger aan de andere kant van het kruis wel doet. Hij weet dat hij deze straf rechtvaardig heeft ontvangen. Dat zegt hij ook. Maar hij weet ook dat hij bovendien vergeving van God nodig heeft, omdat hij met zijn misdaad ook God pijn had gedaan. Dat verleent Jezus hem, omdat hij oprecht berouw heeft: ‘Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.' God schenkt hem vergeving, voor wat hij God aandeed met zijn misdaad tegen een medemens.
Maar er zit nog meer in. Hij beseft ook dat deze straf noch veel te weinig is voor wat hij zijn medemens heeft aangedaan. Zijn kruisiging kan het leven van degene die hij heeft vermoord niet geheel compenseren. Hij kan daarmee zijn leven niet teruggeven. Daarom vraagt hij ook of Christus hem wil helpen, voor de straf aan de andere kant van de dood. Of Christus hem wil helpen in het nieuwe leven. Hoe kan hij ooit zijn misdaad weer goed maken. Dat kan hij ook niet, maar dat is nu juist gebeurd in Christus' kruisiging. Het kwaad dat de moordenaar aanricht, het leven van iemand nemen, is vele malen groter dan dat het gecompenseerd zou kunnen worden door de dood van die dader. Geen aardse straf kan dat genoegdoen. Alleen een hemelse, dit kan alleen de Schepper van hemel en aarde zelf, de grote Leenheer goed maken. En dat doet Hij dan ook. God neemt de verantwoordelijkheid als Schepper op zich, voor wat er in deze wereld gebeurt. Hij neemt de straf op zich, op Goede Vrijdag. Als een juridische vergelding.

Ook materiële compensatie is nodig
Dan zou je kunnen denken dan is het klaar, maar dat is het niet. Want is dat dan genoeg? Is daarmee genoeg gedaan aan de slachtoffers? Wij kennen die vraag. Doet God er niets aan als Zijn schepselen worden gedood? Pas weer een school in Duitsland? Wat hebben die gedode kinderen er aan als de daders gestraft worden? Stel dat dat al zou kunnen, want soms beroofd de dader zichzelf ook van het leven of vlucht hij naar een onbekend land. Maar stel dat zo'n dader wel wordt gepakt. Kan een misdaad met gevangenisstraf kunnen worden gecompenseerd? Kan een (levenslange) gevangenisstraf of zelfs de doodstraf de dood van een vermoord kind compenseren? Zelfs als ze zouden zeggen dat Jezus Christus voor deze daden is gestraft aan het kruis, kunnen we ons afvragen of dat genoeg is. Wat hebben de slachtoffers daaraan? Maar wat zou God dan nog meer kunnen doen? Er is noch wel iets dat God zou kunnen doen. God kan de slachtoffers ook een nieuw leven geven. En dat doet Hij dan ook. Hij wekt mensen op. Niet alleen de slachtoffers, maar ook de daders. Want zijn we niet allemaal zowel dader als slachtoffer? Zijn we niet allemaal zowel Kaïn als Abel? Hoe we dat weten? Pasen vertelt ons dat. Met Pasen geeft God naast de juridische compensatie van Goede Vrijdag ook materiële compensatie. Zo compenseert Hij volledig de misdaad, zoals b.v. een moord door een moordenaar. Zo compenseert Hij het slachtoffer door hem een nieuw leven te geven. Of bijvoorbeeld dat meisje wat werkte bij een benzinepomp. Ze werkte achter de balie. Door een overval raakte ze voor haar leven lang ongelukkig. Ze zat in een rolstoel en miste een oog. Bij de opstanding kan dat gecompenseerd worden. Ze krijgt een nieuw leven. Ze kan weer lopen en zien. Paulus zegt het zo: Van de Here Jezus die is overgeleverd om onze overtredingen, en is opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Goede Vrijdag een juridische compensatie, Pasen een materiële genoegdoening. Het hoort ook bij elkaar, Goede Vrijdag en Pasen. In het woord Pascha is dat een. Pascha: de dood gaat voorbij, de doodstraf gaat voorbij aan de Israëlieten in Egypte. Dat betekent het woord Pascha ook: voorbijgaan. En wat betekent het als de dood voorbijgaat? Dat betekent leven!

Het laatste oordeel
En dan staan we daar bij het laatste oordeel. Dan worden de gelovigen van de ongelovigen gescheiden. En dan staan de gelovigen daar, daders en slachtoffers naast elkaar. En dan vraagt God aan de daders, of ze berouw hebben, en aan de slachtoffers of ze willen vergeven. En zijn we dat niet allemaal daders en slachtoffers. En dan wordt het ons gevraagd? Kunnen wij elkaar vergeven? Ik moet denken aan het verhaal van Elie Wiesel, hij is een van de bekendste joden die Auschwitz heeft overleefd. En in 1995 bij de vijftig-jarige herdenking van de sluiting van concentratiekamp Auschwitz-Birkenau, bad hij. En ik lees een stukje uit het gebed voor - het gaat door merg en been. ‘O God van vergeving, vergeef niet de moordenaars wier gewone werk het was te vermoorden. Herinner U de nachtelijke optochten van kinderen, zoveel bange, mooie Joodse kinderen. Als wij er een zouden zien nu, zou ons hart breken, maar de harten van de moordenaars toen braken niet.' Elie Wiesel kon niet vergeven, en zou je dit ook niet mogen bidden bij het zien van die berg kinderschoenen in Auschwitz en die berg met brilletjes, de haren die afgeschoren werden en werden verkocht als kussenvulling. Mag je dan ook niet zo bidden? En lijkt dit gebed van Wiesel ook niet op de gebeden die in de Bijbel staan? Denk eens aan de wraakpsalmen: Psalm 109, 137, 139, 140 enzovoort. De roep: ‘O God, breng mijn vijanden om, doe mij recht.' En dan zouden we kunnen zeggen, dat deze gebeden van Israel zijn vervuld met de komst van Jezus Christus. In Hem deed God recht. Maar dan zie ik ze nog staan, in het laatste oordeel, de gelovigen. Dan zie ik ook Jezus Christus staan en dan komt Jezus Christus naar voren en zegt God: ‘In Hem heb Ik de vergelding, de wraak op Mij genomen. Zo heb Ik de straf gedragen om dit onrecht recht te zetten. Ik heb Mijn leven gegeven. Wat kon Ik meer doen. Ik, die me verantwoordelijk voel voor het recht in mijn schepping, Ik heb in de mens Jezus Christus mijn leven gegeven. Als compensatie voor alle onrecht in de wereld, wat kon Ik meer doen? Is dat voor jou, slachtoffer genoeg, om je met je dader te verzoenen en verder te leven? Heb Ik, die me verantwoordelijk voel voor Mijn schepping, voor Mijn rijksgebied, heb Ik als Rechter voor jou genoeg gedaan? Als Elie Wiesel Jezus Christus had gekend, had hij misschien ‘ja' gezegd. Zoals Corrie ten Boom dat kon. Ook zij zat in een concentratiekamp. Haar zus en haar moeder werden vermoord. Zij zelf kwam vrij. Later gaf ze veel lezingen, ook in Duitsland. Na afloop van een lezing in Duitsland kwam er een keer een man naar haar toe en zei: ‘Ik ben bewaker geweest in het concentratiekamp waar u zat. Kunt u mij vergeven voor wat ik u en uw familie heb aangedaan?' Corrie ten Boom schrok, kun je zoiets vergeven. Eerst kon ze dat niet, maar toen dacht ze aan Jezus Christus, wat die gedaan had als genoegdoening, als compensatie. En toen zei ze: ‘Ja, ik wil het u vergeven.'
En als we daar dan staan voor Gods troon, tijdens het laatste oordeel en God vraagt aan daders berouw, en aan slachtoffers vergeving, en we kennen God door Jezus Christus, dan kunnen we elkaar vergeven. Niet omdat God het kwaad door de vingers ziet, niet omdat genade goedkoop is, juist niet. Maar het kan omdat het kwaad dat mensen elkaar aandeden met de hoogste straf, de hoogste genoegdoening is betaald. God zelf gaf in Christus Zijn leven. De Rechter zelf gaat aan het recht ten onder, zo zingen we dat in Gezang 177. En zo wordt verzoening bewerkstelligd, dat Jezus Christus is gestorven voor onze zonden en niet alleen voor onze, maar voor die van de gehele wereld. Zo zegt de Bijbeltekst en zo komt er vrede, door de grote Vredevorst. En zo is ook God tevreden. Zo komt er aan Zijn verdriet en Zijn pijn een einde, dan stopt ook Zijn boosheid. Op die manier kunnen we wel zeggen dat de dood van Jezus Christus ook de toorn van God stilt. Maar dat is een andere manier van hoe we het in het begin bedoelden. Kortom, door het kruis van Christus en Zijn opstanding komt echte sjaloom, echte vrede. Daarom: de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem.

Liturgie voor de Eredienst van de Hervormde Gemeente Wezep - Hattemerbroek
op zondag 15 maart 2009 om 19.00 uur in de ‘Vredeskerk'.

(Welkom en mededelingen)
Zingen: Ps. 65:2 (OB)
Stil gebed
Bemoediging en Groet
Zingen: Gez. 177:1,2,3 (LvdK)
Geloofsbelijdenis HC vr. en antw. 11 en 12 en 18
Zingen: Gez. 177:4,5,6 (LvdK)
Gebed om ontferming en om de Heilige Geest bij de opening van het Woord
Schriftlezing: Psalm 51
Zingen: Ps. 51:1,2 (NB)
Schriftlezing: Lukas 23:33 en 39-43
Zingen: Ps. 51:4,5 (NB)
Verkondiging: ‘die 't recht der armen, der verdrukten gelden doet'
Zingen: Ps. 51:6,7 (NB)
Danken en met en voor elkaar bidden
Inzameling van de gaven
Zingen: Ps. 146:5,8 (OB)
Heenzending en Zegen
Orgelspel